rapporten De Bilt 2009

09.14636 (download rapport)

Rapport 30 december 2009: 'Inschrijven omschreven'

Onvrede
Verzoekster vindt dat de gemeente De Bilt zich niet behoorlijk gedroeg omdat:

  1. De gemeente de schriftelijk verzonden adreswijziging van 4 oktober 2007 niet verwerkte in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) ondanks artikel 47, lid 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie (Wet GBA), terwijl uit niets blijkt dat het niet aannemelijk was dat de adreswijziging onjuist was. De gemeente geen reden had om te twijfelen aan de aangifte van verzoekster (artikel 47, lid 1 van de Wet GBA) en het daarom vreemd is, dat de gemeente in haar antwoordbrief een beroep doet op artikel 70 van de wet GBA;
  2. De gemeente de aangifte aan verzoekster terugzond zonder dossiervorming en registratie. Hierdoor was besluitvorming in de zin van artikel 83 van de Wet GBA en de Awb niet mogelijk.
  3. Uit niets blijkt dat het niet aannemelijk was dat de adreswijziging onjuist was; nu de gemeente hier in haar klachtbehandeling niet op ingaat handelt zij in strijd met de motiveringsplicht van artikel 10 van de klachtenverordening van De Bilt;
  4. De gemeente in haar antwoord op de klacht stelde dat de postregistratie aangepast zal worden. Zij geeft niet aan op welke wijze dat zal geschieden, of er ook dossiervorming plaats zal vinden en of er voortaan voldaan zal worden aan artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 83, onder a van de wet GBA;
  5. De gemeente in haar antwoordbrief verwijst naar het gemeentelijke beleid om bij elke aangifte van verblijf en adres, dan wel adreswijziging, bewijsstukken te overleggen. Zoals bijvoorbeeld een verklaring van een reeds ingeschrevene, dat geen bezwaar bestaat tegen inschrijving op zijn adres. De gemeente heeft niet de bevoegdheid om inlichtingen en geschriften te eisen, dan wel gemeentelijk beleid te voeren dat in strijd is met de door de gemeente uit te voeren regelgeving. De gemeente heeft niet de bevoegdheid óók inlichtingen en geschriften te eisen van aangevers waarvan niet aannemelijk is dat deze het vermelde adres niet hebben. Het gemeentelijke beleid waaraan de gemeente refereert is niet bekend gemaakt;
  6. De gemeente van verzoekster een verklaring van de huiseigenaar vroeg. De wet GBA legt geen verplichting aan de huiseigenaar op om een verklaring af te leggen. Zo de wet de gemeente de bevoegdheid geeft om een verklaring van de huiseigenaar te vragen, dan had die verantwoordelijkheid niet op verzoekster gelegd mogen worden;
  7. Het antwoord op de klacht is ondertekend door een onbekende, waarvan niet blijkt dat deze bevoegd is om namens het college van burgemeester en wethouders te tekenen. De burgemeester had de klacht moeten afhandelen. De klachtencoördinator had de antwoordbrief moeten zenden.
  8. De gemeente paste bij de klachtafhandeling geen hoor en wederhoor toe.


Conclusie
De Gemeentelijke Ombudsman concludeert dat de gemeente:

  1. behoorlijk handelde; zij een nader onderzoek mocht instellen nu de aangifte van verzoekster niet compleet was en zij voor de tweede maal in korte tijd een adreswijziging doorgaf;
  2. onzorgvuldig handelde door van de ontvangst van de aangifte geen registratie bij te houden. Zij handelde daardoor in strijd met de norm van adequate organisato-rische voorzieningen; eveneens in strijd met het beginsel van fair play handelde door geen besluit op grond van artikel 83 van de Wet GBA te nemen en het daar-door verzoekster onmogelijk maakte om haar procedurele kansen te benutten;
  3. niet behoorlijk handelde tegenover verzoekster door niet op alle klachtonderdelen in te gaan; zij schond de motiveringsnorm;
  4. aangaf wat zij van de klachten leerde en daarmee behoorlijk handelde;
  5. vragen stelde bij de aangifte, op grond van een recente inschrijving van verzoekster op een ander adres en een reeds bestaande andere inschrijving op het nieuw opgegeven adres; de gemeente op basis daarvan nadere bewijsstukken aan verzoekster vroeg; niet onbehoorlijk handelde door de eisen, die zij aan een volledige aangifte van een adreswijziging stelde, niet te publiceren nu zij verzoeker daarover in een later stadium adequaat informeerde;
  6. niet onbehoorlijk handelde tegenover verzoekster door van haar in het kader van een zorgvuldige belangenafweging een verklaring van de huiseigenaar te vragen;
  7. in strijd met wetgeving en haar eigen regelgeving handelde door de klacht niet te laten afhandelen en ondertekenen door degene, die daartoe binnen de gemeente bevoegd is; zij schond de norm van rechtszekerheid;
  8. niet behoorlijk handelde tegenover verzoekster nu zij haar niet hoorde over haar klacht over de procedure rond de aangifte van de adreswijziging; de norm van hoor en wederhoor schond.

Nabeschouwing
De kern van de discussie tussen verzoekster en de gemeente betreft de vraag of de gemeente nadere bewijsstukken mag vragen bij een aangifte van een adreswijziging. Verzoekster meent van niet, omdat niet aannemelijk was dat er een foutieve aangifte werd gedaan. De gemeente beroept zich op haar opdracht: het voeren van een correcte gemeentelijke basisadministratie.

De ombudsman heeft begrip voor de vragen die het handelen van de gemeente bij verzoekster oproept. Verzoekster moet immers een aantal acties ondernemen om de gevraagde bewijsstukken te kunnen tonen. Maar dat neemt niet weg dat de ombudsman de gemeente gelijk geeft in haar eis aan verzoekster om nadere stukken aan te leveren. Een correcte gemeentelijke basisadministratie is immers van groot belang. Niet alleen voor de burger zelf, maar ook voor vele (overheids-)organisaties die er gebruik van maken en op de juistheid ervan moeten kunnen vertrouwen. Daarnaast moeten ook particuliere derden erop kunnen vertrouwen dat er niemand op hun adres wordt ingeschreven die er niet daadwerkelijk woont.

Niet voor niets gaf de wetgever de gemeente bevoegdheden om (onder andere) spookbewoning en andersoortige ‘valse’ inschrijvingen tegen te gaan. Als de gemeente ook maar de geringste twijfel heeft bij een inschrijving, is het haar plicht om nader onderzoek te doen. Helaas houdt dit voor goedwillende burgers in dat van hen acties worden gevraagd die tijd en energie vergen en dat aan hun verzoek tot inschrijving niet altijd meteen kan worden voldaan.


08.14031 (download rapport)

Rapport 27 mei 2009: 'Gebruikte bevoegdheden'

Verzoek
Verzoeker is van mening dat hij door de gemeente niet serieus is genomen in zijn onvrede over de gemeente. Hij is niet tevreden met de klachtbehandeling omdat:

  1. het college van burgemeester en wethouders een aan de gemeenteraad gerichte brief beantwoordde, zonder dat de raad betrokken was bij de totstandkoming van het antwoord;
  2. de burgemeester aangaf dat het onderzoek van de gemeentelijke bouwin-specteur werd uitgevoerd in het kader van bouwen zonder c.q. in afwijking , van een bouwvergunning en een medewerkster van de gemeente op 21 mei telefonisch liet weten dat het onderzoek werd uitgevoerd in verband met zorg over eventuele gevolgschade aan de woning/kelder van ondergetekende. De burgemeester memoreerde juist expliciet dat dit laatste niet het geval was;
  3. de interne klachtbehandeling bij de gemeente langer duurde dan zes weken, zonder dat de gemeente een vertragingsbericht zond. Het antwoord op zijn klacht (in de vorm van een advies) was al op 11 maart 2008 gereed, maar hij ontving het antwoord pas op 21 mei 2008;
  4. hij ten onrechte al op 4 maart 2008 op een concept advies kon reageren, zonder dat de reactie van de wethouder in dat advies was verwerkt en hij daardoor ten onrechte niet kon reageren op het verslag van de hoorzitting van de wethouder;
  5. naar de mening van verzoeker de wethouder oneigenlijk gebruik maakte van zijn positie, kennelijk met de bedoeling om verzoeker te stoppen met het stellen van vragen over de ontsluiting van het sportpark;
  6. hij geen reactie kreeg op zijn vraag hoe het onderzoek van de burgemeester plaatsvond. Het is niet duidelijk op welke wijze ambtenaren zijn gehoord en ook niet wie er zijn gehoord;
  7. de gemeente onzorgvuldig handelde nu zij niet de bijlagen meezond die bij het antwoord van de gemeente van 21 mei 2008 hoorde. Verzoeker moest deze zelf opvragen bij de gemeente.

Conclusie
De ombudsman concludeert dat:

  1. verzoeker uiteindelijk een reactie kreeg van de gemeenteraad, zoals hij vroeg. De behandeling van zijn brief binnen de gemeente was wellicht verwarrend, maar verzoeker is uiteindelijk niet in zijn belangen geschaad nu de raad de reactie van het college als die van haarzelf kwalificeert;
  2. de gemeente in verschillende stukken (documenten, correspondentie) een onduidelijke en niet eensluidende motivering hanteert om de inspectie te beargumenteren. Daardoor schendt zij de motiveringsnorm;
  3. de klachtprocedure bij de gemeente meer dan de redelijke termijn van zes weken besloeg. De gemeente schond de norm van voortvarendheid;
  4. de klachtbehandelaar kennelijk geen wederhoor toepaste bij verzoeker. Hiermee handelde de klachtbehandelaar tegenover verzoeker niet behoorlijk. De norm van wederhoor is geschonden;
  5. uit het dossier niet valt op te maken dat de wethouder expliciet de opdracht tot inspectie gaf en alleen daarom al kan de ombudsman niet concluderen dat de wethouder misbruik van zijn positie maakte. Er vond geen voorafgaande belangenafweging plaats, waardoor de noodzakelijkheid van de inspectie niet vaststond en de gemeente het evenredigheidsbeginsel schond;
  6. de gemeente niet behoorlijk handelde tegenover verzoeker nu zij niet kan aangeven hoe het klachtonderzoek plaatsvond. De gemeente schond hiermee het motiveringsbeginsel;
  7. de gemeente zelf al concludeerde dat zij niet correct handelde en aan verzoeker haar verontschuldigingen aanbood, zodat de ombudsman dit hier niet hoeft te herhalen.